Dierenartsen Zonder Grenzen

Nieuws

Jul 28

Opinie over droogte in Oost-Afrika

donderdag 28 juli 2011 08:07

Het is weer zover: er speelt zich een humanitaire ramp af in de Hoorn van Afrika. Meer dan 11 miljoen mensen hebben voedselhulp nodig. In de meest getroffen streken is meer dan de helft van de kinderen ernstig ondervoed. Verschrikkelijk nieuws. De beelden van graatmagere kinderen verschijnen weer op ons netvlies. Maar wisten we niet dat dit er aan zat te komen? En is droogte wel de belangrijkste oorzaak van de huidige humanitaire crisis?

Droogte al jaar eerder voorspeld
Een jaar geleden voorspelden meteorologen dat er weinig regen zou vallen in Oost-Afrika. Mislukte oogsten zouden leiden tot prijsstijgingen en slinkende voedselreserves. Kuddes zouden samentroepen rond het weinige grasland en water, met als gevolg een hoog risico op ziekteverspreiding, dalende melkproductie en een hoog sterftecijfer.

Deze voorspellingen zijn nu harde realiteit. Aan het gebrek aan vroegtijdige waarschuwingssytemen zal het dus niet liggen. We hebben geleerd uit voorgaande crisissen dat ernstige droogtes tijdig op te sporen zijn. Maar blijkbaar hebben de meeste Afrikaanse landen en donoren nog altijd niet geleerd wat te doen met deze waarschuwingen, hoe er op een gepaste manier en tijdig op te reageren. Elke hulp telt nu om levens te redden, maar ze komt veel te laat. Zolang we niet beter voorkomen dan genezen, zullen we binnen een aantal jaar opnieuw dezelfde beelden van uitgemergelde kinderen zien.

Droge gronden
Uit alle berichtgeving van de voorbije weken onthouden we vooral de enorme vluchtelingenstromen uit Somalië. In Dadaab, het grootste vluchtelingenkamp van Kenia, staat de teller vandaag op meer dan 533.000 vluchtelingen. Over de mensen die niet op de vlucht zijn voor het Somalische conflict horen we nauwelijks iets. Nochtans hebben 2,4 miljoen Kenianen ook hulp nodig. Vooral het noorden en oosten van het land hebben zwaar te lijden onder de crisis. In de Turkanaregio is 37,4 % van de kinderen ernstig ondervoed.

Turkana bestaat voor het grootste deel uit droge gronden, die niet geschikt zijn voor landbouwgewassen. De meeste inwoners leven er dan ook van de veeteelt. Sinds oudsher hebben de Turkanaveehouders te kampen met droogtes, die door de klimaatverandering steeds frequenter voorkomen. Ze ontwikkelden zelf mechanismen om deze droogteperiodes te overbruggen. Zo trekken ze met hun kuddes rond, op zoek naar water en grasland. Want vaak regent het tientallen kilometers verder wél. Zo viel er begin dit jaar op sommige plekken in Turkana minder dan 20% van de normale regenval, maar elders viel er 80 tot 120%. Via traditionele communicatiekanalen vernemen de veehouders waar het beste gras en water is, zodat ze weten waar naartoe te trekken met hun dieren. Ze weten hoe om te gaan met wederkerende droogtes. Dat ze nu een beroep moeten doen op voedselhulp, is te wijten aan andere problemen.

Rondtrekkende veehouders
Enerzijds zien rondtrekkende veehouders - ook wel pastoralisten genoemd - jaar na jaar de graslanden voor hun kuddes afnemen. Deze graasgebieden zijn essentieel voor het voeden van de dieren tijdens droogteperiodes. Graslanden worden in beslag genomen door mensen die zich er permanent vestigen, voor irrigatielandbouw, natuurbehoud of privé-investeringen.

Anderzijds ontkent de regering de economische rol van pastoralisten en heeft ze nauwelijks aandacht voor hun problemen. Het beleid van vele Afrikaanse landen is er nog steeds op gericht om de pastorale gemeenschappen te 'moderniseren'. Hieronder verstaan ze: zich permanent vestigen op één plek. Nochtans zijn er steeds meer bewijzen dat pastoralisme de enige duurzame en economische manier is om aride gebieden te exploiteren.

Verder beperken conflicten langs de grens en tussen verschillende clans de mobiliteit van de veehouders, zodat ze geen toegang krijgen tot water en gras. En vice versa: hoe schaarser deze natuurlijke rijkdommen, hoe meer conflicten er zijn. Maandelijks sterven er tientallen tot soms honderden mensen bij gewapende veeroven.

Een droogte mondt uit in een humanitaire crisis wanneer de grootste bevolkingsgroep, die van de veeteelt leeft, niet ondersteund wordt, de internationale veehandel belemmerd wordt, de dierengezondheidszorg ontoereikend en slecht gecoördineerd is en gebieden ontoegankelijk zijn door conflict of het ontbreken van infrastructuur. Tijdige maatregelen die een belangrijke kern van dieren in leven houdt - zodat ze melk en inkomsten genereren - zijn goedkoper en duurzamer dan ondervoede kinderen in leven houden met voedselhulp.

Levensonderhoud
Pastoralisten aanzetten tot het verkopen van hun dieren wanneer ze nog gezond zijn en dus nog geld opbrengen, vermijdt dat de dieren sterven door uitdroging, ondervoeding en ziekte, of dat ze de verzwakte dieren moeten verkopen tegen een lage prijs. In het slechtste geval kunnen hulpagentschappen verzwakte dieren aan een goede prijs opkopen, de lokale bevolking betalen voor het verwerken van het vlees en de dierlijke producten vervolgens als voedselhulp uitdelen. Ook het herstellen en aanleggen van waterbronnen en het stockeren van granen voor de kernkudde redt mensenlevens en hun vormen van levensonderhoud. Zo verliezen ze niet al hun dieren, kunnen ze na de crisis de draad weer opnemen en blijven ze niet afhankelijk van voedselhulp achter.

Noodhulp moet gepaard gaan met constructieve ontwikkelingshulp, die tijdig inspeelt op waarschuwingen van droogte en aangepast is aan de vormen van levensonderhoud van de getroffen gemeenschappen. Een spreekwoord van de Turkana luidt: "Wanneer het vee getroffen wordt door droogte, ziekte of plunderingen, zijn het de dorpen die lijden." Door de veeteelt te ondersteunen, kunnen we de negatieve impact van toekomstige droogtes op het leven van veehoudersfamilies beperken.

Verschenen als opiniestuk in De Standaard op 28 juli 2011.